ECLI:NL:GHSHE:2017:1931 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 04-05-2017 / 16/00440

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/00440

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 april 2016, nummer BRE 14/1395, in het geding tussen


[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag en beschikking belastingrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 31 oktober 2013 onder aanslagnummer [aanslagnummer] een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd van € 8.429 en gelijktijdig een beschikking belastingrente (hierna: de beschikking belastingrente) van € 401 afgegeven. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 328. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag vernietigd, de Minister van Veiligheid en Justitie veroordeeld tot vergoeding aan belanghebbende van immateriële schade tot een bedrag van € 500, de Inspecteur veroordeeld in de kosten van het bezwaar en van het geding bij de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op een bedrag van, in totaal, € 1.005 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 328 aan haar vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Inspecteur vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 22 februari 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbendes gemachtigde de heer [A] , adviseur te [B] , tot bijstand vergezeld van de heren [C] en [D] (taxateur), alsmede namens de Inspecteur de heren [E] , [F] en [G] .

1.6.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is vergunninghouder in de zin van artikel 8 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM 1992). Dientengevolge kan belanghebbende per tijdvak de door haar, ter zake van de inschrijving in het kentekenregister van voertuigen die op naam van een ander worden gesteld, verschuldigde BPM per tijdvak voldoen.

2.2.

Voor zover in hoger beroep relevant, heeft belanghebbende de volgende meldingen voor de BPM (hierna: de melding) gedaan:

Identificatienummer

Kenteken

Dagtekening melding

[nummer 1]

[kenteken 1]

08-07-2011

[nummer 2]

[kenteken 2]

27-7-2011

[nummer 3]

[kenteken 3]

29-8-2011

[nummer 4]

[kenteken 4]

29-8-2011

[nummer 5]

[kenteken 5]

22-11-2011

[nummer 6]

[kenteken 6]

17-1-2012

2.3.

In de melding ter zake van de auto met identificatienummer [nummer 1] (hierna: de auto met identificatienummer [nummer 1] ) heeft belanghebbende een bedrag aan te betalen BPM van € 1.719 vermeld. Voor de berekening van de verschuldigde BPM heeft belanghebbende deze auto laten taxeren door de heer [H] , verbonden aan [J] (hierna: de heer [H] ). Het taxatierapport is gedagtekend 8 juli 2011. Blijkens het taxatierapport is de handelswaarde van deze auto in onbeschadigde staat aan de hand van de XRAY koerslijst bepaald op € 16.243, de waardevermindering in verband met schade middels een schadecalculatie op € 5.745, de “correctie i.v.m. extra klant korting (nieuw model op komst)” op € 2.195 en de handelswaarde in huidige staat op € 8.303.

2.4.

In de melding ter zake van de auto met identificatienummer [nummer 2] (hierna: de auto met identificatienummer [nummer 2] ) heeft belanghebbende een bedrag aan te betalen BPM van € 2.368 vermeld. Voor de berekening van de verschuldigde BPM heeft belanghebbende deze auto laten taxeren door de heer [H] . Het taxatierapport is gedagtekend 27 juli 2011. Blijkens het taxatierapport is de handelswaarde van deze auto in onbeschadigde staat aan de hand van de XRAY koerslijst bepaald op € 16.789, de waardevermindering in verband met schade middels een schadecalculatie op € 5.279 en de handelswaarde in huidige staat op € 11.510.

2.5.

In de melding ter zake van de auto met identificatienummer [nummer 3] (hierna: de auto met identificatienummer [nummer 3] ) heeft belanghebbende een bedrag aan te betalen BPM van € 8.857 vermeld. Voor de berekening van de verschuldigde BPM heeft belanghebbende deze auto laten taxeren door de heer [H] . Het taxatierapport is gedagtekend 29 augustus 2011. Blijkens het taxatierapport is de handelswaarde in onbeschadigde staat aan de hand van de XRAY koerslijst bepaald op € 42.217, de waardevermindering in verband met schade middels een schadecalculatie op € 6.214 en de handelswaarde in huidige staat op € 36.003.

2.6.

In de melding ter zake van de auto met identificatienummer [nummer 4] (hierna: de auto met identificatienummer [nummer 4] ) heeft belanghebbende een bedrag aan te betalen BPM van € 2.982 vermeld. Voor de berekening van de verschuldigde BPM heeft belanghebbende deze auto laten taxeren door de heer [H] . Het taxatierapport is gedagtekend 29 augustus 2011. Blijkens het taxatierapport is de handelswaarde van de auto in onbeschadigde staat aan de hand van de XRAY koerslijst bepaald op € 21.402, de waardevermindering in verband met schade middels een schadecalculatie op € 6.427 en de handelswaarde in huidige staat op € 14.975.

2.7.

In de melding ter zake van de auto met identificatienummer [nummer 5] (hierna: de auto met identificatienummer [nummer 5] ) heeft belanghebbende een bedrag aan te betalen BPM van € 4.911 vermeld. Voor de berekening van de verschuldigde BPM heeft belanghebbende deze auto laten taxeren door de heer [K] , verbonden aan [J] (hierna: de heer [K] ). Het taxatierapport is gedagtekend 21 november 2011. Blijkens het taxatierapport is de handelswaarde van de auto in onbeschadigde staat aan de hand van de XRAY koerslijst bepaald op € 28.397, de waardevermindering in verband met schade middels een schadecalculatie op € 8.546 en de handelswaarde in huidige staat op € 19.851.

2.8.

In de melding ter zake van de auto met identificatienummer [nummer 6] (hierna: de auto met identificatienummer [nummer 6] ) heeft belanghebbende een bedrag aan te betalen BPM van € 10.824 vermeld. Voor de berekening van de verschuldigde BPM heeft belanghebbende deze auto laten taxeren door de heer [K] . Het taxatierapport is gedagtekend 16 januari 2012. Blijkens het taxatierapport is de handelswaarde van de auto in onbeschadigde staat aan de hand van de Eurotaxglass’s koerslijst bepaald op € 47.739, de waardevermindering in verband met schade middels een schadecalculatie op € 5.063 en de handelswaarde in huidige staat op € 42.676.

2.9.

Aan belanghebbende is met dagtekening 31 oktober 2013 de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd van € 8.429 en gelijktijdig de beschikking belastingrente van € 401 afgegeven. In de naheffingsaanslag wordt voor de motivering verwezen naar “de bevindingen uit het bijgevoegde rapport”.

2.10.

Dit rapport betreft het “Rapport inzake een ingesteld deelonderzoek bij [L] B.V.” met dagtekening 31 oktober 2013 (hierna: het rapport van 31 oktober 2013). Het aan het rapport van 31 oktober 2013 ten grondslag liggende deelonderzoek is aangekondigd op 6 april 2012. Voor zover in hoger beroep relevant, is in het rapport het volgende opgenomen:

Verantwoording

Ten behoeve van de belastingheffing hebben wij een deelonderzoek ingesteld bij de entiteit [L] B.V. De controle heeft betrekking op de aangiften BPM. Het onderzoek beperkt zich tot een 23-tal auto’s die van te voren zijn aangekondigd.

Dit controlerapport geeft de uitkomsten weer van het uitgevoerde onderzoek en vermeldt de standpunten van de Belastingdienst. De opgenomen informatie heeft slecht tot doel de heffing en inning van belastingen te ondersteunen. Het rapport is slechts met dit oogmerk geschreven en is niet bedoeld voor andere doeleinden.

1.2

Activiteiten

(…)

Naast in- en verkoop van auto’s is er ook een reparatie werkplaats. Het bedrijf beschikt niet over een eigen spuitinstallatie; spuitwerk voor schades wordt dan ook uitbesteed.

(…)

1.4

Werkwijze parallelimport [L] B.V.

(…)

Aangezien het tweedehands auto’s betreft hebben de meeste auto’s gebruikssporen. Deze gebruikssporen zijn soms ook onderdeel van de onderhandelingen met de kopende partij.

(…)

De volgende voertuigen zijn in het onderzoek betrokken

Kenteken

VIN-nr

Datum Melding

(…)

(…)

(…)

(…)

4

[kenteken 6]

[nummer 6]

18-01-2012

(…)

(…)

(…)

(…)

15

[kenteken 5]

[nummer 5]

23-11-2011

(…)

(…)

(…)

(…)

20

[kenteken 4]

[nummer 4]

31-08-2011

21

[kenteken 3]

[nummer 3]

31-08-2011

22

[kenteken 1]

[nummer 1]

14-07-2011

23

[kenteken 2]

[nummer 2]

29-07-2011

2 Bevindingen

2.1

Algemeen

De werkwijze van de taxateur [J] is als volgt:

Op basis van de koerslijst Xray wordt de waarde van betreffende auto bepaald. Het aan de koerslijst ontleende bedrag, zijnde de inkoop door de handel, wordt verminderd met een bedrag aan schade dat door de taxateur wordt gecalculeerd. Het saldo wordt gepresenteerd als getaxeerde waarde (inkoopwaarde door de handel) van de auto. Deze waarde wordt gebruikt om het afschrijvingspercentage te bepalen waarmee de bruto BPM wordt verminderd.

Bij de opname op de front office constateert de medewerker gebruikssporen die overeenstemmen met kilometerstanden en de leeftijd van de aangeboden auto’s. In de taxatie wordt dit steevast vertaald naar schade met de bijbehorende herstelkosten.

2.2.

Autogegevens

Met betrekking tot de geselecteerde auto’s zijn de volgende gegevens verzameld:

Kenteken

Taxatiewaarde zonder schade

Schade taxatie

Taxatiewaarde incl. schade

Inkoopprijs

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

[kenteken 6]

42.676

5.063

47.739

57.885

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

[kenteken 5]

19.851

8.546

28.397

40.337

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

[kenteken 4]

14.975

6.427

21.402

27.177

[kenteken 3]

36.003

6.214

42.217

56.678

[kenteken 1]

8.303

7.940

16.243

25.132

[kenteken 2]

11.510

5.279

16.789

25.784

kenteken

Hertaxatie zonder schade

Bruto schade hertaxatie

Hertaxatie Incl. schade

Werkelijke Herstelkosten

Verkoopprijs

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

[kenteken 6]

53.125

0

53.125

0

60.000

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

[kenteken 5]

40.000

0

40.000

0

45.750

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

[kenteken 4]

28.000

0

28.000

0

34.500

[kenteken 3]

51.500

0

51.500

0

64.500

[kenteken 1]

27.500

0

27.500

0

32.500

[kenteken 2]

27.625

0

27.625

0

36.000

(…)

4. De gemiddelde schade per auto opgetekend door de taxateur [J] is ± € 6.000.

De gemiddelde schade per auto opgetekend door de hertaxateur is ± € 600.

(…)

7. De hertaxateur neemt niet alle geconstateerde schade voor de volle 100% in aftrek.

8. De geconstateerde schade van de taxateur [J] wordt nagenoeg niet hersteld en is gemiddeld € 76 per auto. De term gebruikssporen lijken beter op zijn plaats dan schade.

(…)

3 Recapitulatie

3.1

Naheffing

Op basis van de ingestelde hertaxaties, de geraadpleegde dossiers alsmede de overige bevindingen uit het ingestelde onderzoek, leggen wij een naheffingsaanslag BPM op voor de volgende voertuigen:

kenteken

afgedragen BPM

Af te dragen (1)

correctie

[kenteken 6]

10.824

11.875

1.051

[kenteken 5]

4.911

7.181

2.270

[kenteken 4]

2.982

4.229

1.247

[kenteken 3]

8.857

10.068

1.211

[kenteken 1]

1.719

3.335

1.616

[kenteken 2]

2.368

3.402

1.034

Totaal

31.661

40.090

8.429

De af te dragen BPM (1) is gebaseerd op de constateringen uit de ingestelde hertaxaties.”

2.11.

De namens de Belastingdienst uitgevoerde hertaxaties, waarnaar verwezen wordt in het rapport van 31 oktober 2013, betreffen hertaxaties uitgevoerd door [M] B.V. (hierna: [M] ), respectievelijk [N] B.V. (hierna: [N] ).

2.12.

De auto met identificatienummer [nummer 1] is op 27 juli 2011 door [M] geïnspecteerd. Dit heeft geresulteerd in een hertaxatierapport met dagtekening 2 augustus 2011. In dit hertaxatierapport concludeert [M] tot een handelswaarde van € 27.500. [M] past geen extra correctie in verband met schade toe. Met betrekking tot de bij de inspectie geconstateerde schade aan de auto staat in dit hertaxatierapport het volgende opgenomen:

“Tijdens de inspectie stelden wij vast dat het voertuig (behoudens de aanwezige schade), in goede staat verkeerde.

Het voertuig vertoont lichte gebruiksschade’s die ten tijde van onze inspectie nagenoeg geheel hersteld waren.”

2.13.

De auto met identificatienummer [nummer 2] is op 3 augustus 2011 door [N] geïnspecteerd. Dit heeft geresulteerd in een hertaxatierapport met dagtekening 7 september 2011. In dit hertaxatierapport concludeert [N] tot een handelswaarde inclusief BPM en BTW van € 27.625. [N] past geen extra correctie in verband met schade toe, aangezien, haars inziens, slechts sprake is van lichte gebruiksschade aan de auto.

2.14.

De auto met identificatienummer [nummer 3] is op 6 september 2011 door [N] geïnspecteerd. Dit heeft geresulteerd in een hertaxatierapport met dagtekening 30 september 2011. In dit hertaxatierapport concludeert [N] tot een handelswaarde inclusief BPM en BTW van € 51.500. [N] past geen extra correctie in verband met schade toe. Met betrekking tot de bij de inspectie geconstateerde schade aan de auto staat in dit hertaxatierapport het volgende opgenomen:

“Aan het voertuig werd geen schade geconstateerd. Het voertuig bevond zich ten tijde van onze inspectie in de showroom en de schade zou reeds hersteld zijn.”

2.15.

De auto met identificatienummer [nummer 4] is op 7 september 2011 door [N] geïnspecteerd. Dit heeft geresulteerd in een hertaxatierapport met dagtekening 3 oktober 2011. In dit hertaxatierapport concludeert [N] tot een handelswaarde inclusief BPM en BTW van € 28.000. [N] past geen extra correctie in verband met schade toe. In het hertaxatierapport wordt hiertoe als reden gegeven dat aan de auto geen schade werd geconstateerd.

2.16.

De auto met identificatienummer [nummer 5] is op 25 november 2011 door [M] geïnspecteerd. Dit heeft geresulteerd in een hertaxatierapport met dagtekening 2 december 2011. In dit hertaxatierapport concludeert [M] tot een handelswaarde van € 40.000, uitgaande van “de inkoopwaarde tussen particulier en wederverkoper”. [M] past geen extra correctie in verband met schade toe.

2.17.

De auto met identificatienummer [nummer 6] is op 20 januari 2012 door [N] geïnspecteerd. Dit heeft geresulteerd in een hertaxatierapport met dagtekening 31 januari 2012. In dit hertaxatierapport concludeert [N] tot een handelswaarde inclusief BPM en BTW van € 53.125. [N] past geen extra correctie in verband met schade toe en geeft daartoe als reden dat aan de auto slechts (lichte) gebruikssporen werden geconstateerd.

2.18.

Naar aanleiding van de conclusies uit voornoemde hertaxaties heeft de Inspecteur aan belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd en de beschikking belastingrente afgegeven. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag gebaseerd op de navolgende handelswaarden, die overeenkomen met de handelswaarden in onbeschadigde staat zoals opgenomen in de door belanghebbende overgelegde taxatierapporten (zie de onderdelen 2.3. tot en met 2.8.):

Auto met identificatienummer:

Handelswaarde

[nummer 1]

€ 16.243

[nummer 2]

€ 16.789

[nummer 3]

€ 42.217

[nummer 4]

€ 21.402

[nummer 5]

€ 28.397

[nummer 6]

€ 47.739

2.19.

Voorts is de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag uitgegaan van de in de hertaxatierapporten opgenomen netto-catalogusprijzen, hetgeen tot gevolg heeft dat uitgegaan is van historische bruto BPM-bedragen die afwijken van de in de meldingen van belanghebbende opgenomen bruto BPM bedragen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Dienen de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente vernietigd te worden, omdat daarop geen tijdvak van naheffing is vermeld?

2. Bij ontkennende beantwoording van de eerste vraag: zijn de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente terecht en tot het juiste bedrag opgelegd, waarbij de vraag dient te worden beantwoord of het beroep van de Inspecteur op interne compensatie slaagt.

3.2.

Belanghebbende is primair van mening dat de eerste vraag bevestigend beantwoord dient te worden en subsidiair dat zowel de eerste als de tweede vraag ontkennend beantwoord moeten worden.

De Inspecteur is van mening dat de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord en de tweede vraag – mede gelet op zijn beroep op interne compensatie – bevestigend moet worden beantwoord.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.4.

Ter zitting hebben partijen daaraan het volgende toegevoegd:

De Inspecteur ziet geen mogelijkheid tot het sluiten van een compromis met belanghebbende, aangezien hij, in tegenstelling tot belanghebbende, van mening is dat de onderhavige auto’s slechts normale gebruikssporen, maar geen echte schade vertonen. Voorts stemt de Inspecteur in principe in met verlaging van de naheffingsaanslag met een bedrag van € 912 in verband met toepassing van de extra leeftijdskorting voor vergunninghouders en met een bedrag van € 201 in verband met toepassing van het meest voordelige tussenliggende BPM-tarief bij de auto met identificatienummer [nummer 1] . De Inspecteur heeft vervolgens echter verklaard dat dit zijn inziens geen reden is voor vermindering van de naheffingsaanslag, aangezien hij zich op het standpunt stelt dat hij een geslaagd beroep op interne compensatie kan doen. Voor het geval het Hof van oordeel zou zijn dat de onderhavige auto’s meer schade dan normale gebruiksschade vertonen, doet de Inspecteur een beroep op toepassing van de, vanaf 2015, geldende 72%-regeling.

De gemachtigde van belanghebbende heeft bevestigd dat dit ook zijn subsidiaire standpunt is. Vanwege het feit dat de naheffingsaanslag geen tijdvak vermeldt, wordt belanghebbende een beroep op interne compensatie binnen dit tijdvak ontnomen. Hij heeft er in dat kader op gewezen dat belanghebbende nog andere auto’s in het betreffende tijdvak heeft aangemeld voor de BPM. Ten slotte heeft de gemachtigde van belanghebbende, desgevraagd, verklaard dat enkele auto’s ex-huurauto’s zijn. Met huurauto’s wordt minder voorzichtig omgegaan dan met auto’s die in eigen bezit zijn, waardoor deze auto’s vaak meer beschadigingen vertonen en duurder zijn om rijklaar te maken.

3.5.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, primair tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 3.116 en meer subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 7.516. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot ongegrond verklaring van het tegen de uitspraken van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep.

4 Gronden

Vraag 1

4.1.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat het aanslagbiljet, vanwege het niet vermelden van het tijdvak van naheffing, een essentieel onderdeel ontbeert en dat de naheffingsaanslag om deze reden vernietigd dient te worden. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat het voor belanghebbende, gelet op de verwijzing in de naheffingsaanslag naar het rapport van 31 oktober 2013, duidelijk moet zijn geweest op welk tijdvak en welke auto’s de naheffingsaanslag ziet.

4.2.

Het Hof stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 17 maart 2006, nr. 41.558, ECLI:NL:HR:2006:AV5028, ter zake van het niet vermelden van een tijdvak op een naheffingsaanslag het volgende heeft geoordeeld:

“4.1.1. Het Hof heeft geconstateerd dat de onderhavige naheffingsaanslag in het geheel geen tijdvak van naheffing vermeldt.

4.1.2.

Het Hof heeft voorop gesteld dat de vermelding van het tijdvak van naheffing op het aanslagbiljet hiervan een zo wezenlijk onderdeel uitmaakt, dat niet kan worden toegestaan dat belasting, verschuldigd wegens feiten gelegen buiten dat tijdvak, in de naheffingsaanslag worden begrepen. Dit is slechts anders indien de op het aanslagbiljet voorkomende vermelding van het tijdvak van naheffing op een duidelijke, ook voor de belastingplichtige kenbare, vergissing berust (vgl. Hoge Raad 20 december 1978, nr. 18960, BNB 1979/111 en HR 6 oktober 1993, nr. 28752, BNB 1995/99). Het Hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van een situatie die op één lijn zou zijn te stellen met de uitzondering waarop de hiervoor aangehaalde arresten het oog hebben. Hierop heeft het Hof de onderhavige naheffingsaanslag vernietigd.

4.2.

Het middel bestrijdt onder meer de gevolgen die het Hof verbindt aan het niet vermelden van een tijdvak op de naheffingsaanslag.

4.3.

Met zijn oordeel dat geen sprake is van een situatie die op één lijn zou zijn te stellen met de uitzondering waarop de hiervoor onder 4.1.2 aangehaalde arresten het oog hebben, heeft het Hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat evenmin op andere wijze onmiskenbaar direct of indirect uit het aanslagbiljet is af te leiden wanneer en in welke vorm zich belastbare feiten hebben voorgedaan die tot het verschuldigd worden van de nageheven accijns hebben geleid. Dat oordeel kan, als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Uitgaande van dat oordeel heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat de naheffingsaanslag een essentieel element ontbeert en mitsdien niet in stand kon worden gelaten. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.”.

4.3.

Met betrekking tot de BPM is in dit kader artikel 6, lid 1 en lid 2, van de Wet BPM 1992 relevant, waaruit blijkt dat de BPM in principe geen belasting is die per tijdvak geheven wordt, maar een belasting die ter zake van de registratie van een personenauto of motorrijwiel op aangifte moet worden betaald voordat dit voertuig in het kentekenregister op naam is gesteld. In artikel 8 van de Wet BPM 1992 wordt een uitzondering op deze hoofdregel gemaakt voor ondernemers die in het kader van hun bedrijfsuitoefening regelmatig verzoeken om inschrijving in het kentekenregister voor personenauto’s of motorrijwielen die op naam van een ander worden gesteld. Deze ondernemers mogen namelijk, na hiertoe bij voor bezwaar vatbare beschikking verkregen toestemming, de verschuldigde BPM per tijdvak voldoen.

4.4.

Belanghebbende beschikt over een dergelijk voor bezwaar vatbare beschikking, waardoor belanghebbende de verschuldigde BPM per tijdvak kan voldoen.

4.5.

In het onderhavige geval heeft de Inspecteur door verwijzing in de naheffingsaanslag naar het rapport van 31 oktober 2013, waarin de kentekens, de identificatienummers en de aangiftedata van de voertuigen ter zake waarvan de Inspecteur BPM heeft nageheven, zijn opgenomen, naar het oordeel van het Hof, voldoende duidelijk gemaakt welke auto’s hij in de naheffing betrokken heeft. Door de vermelding van de aangiftedata van deze voertuigen in het rapport van 31 oktober 2013 was het voor belanghebbende kenbaar ter zake van welk tijdvak de naheffingsaanslag is opgelegd. Om deze reden kan in het onderhavige geval niet gezegd worden dat het niet vermelden van het tijdvak ter zake waarvan de naheffingsaanslag is opgelegd, tot vernietiging van de naheffingsaanslag dient te leiden. Uit de tekst van de naheffingsaanslag in combinatie met het rapport van 31 oktober 2013 is, alhoewel indirect, onmiskenbaar af te leiden wanneer en in welke vorm zich belastbare feiten hebben voorgedaan die tot het verschuldigd worden van de nageheven BPM hebben geleid (zie arrest Hoge Raad 17 maart 2006, nr. 41.558, ECLI:NL:HR:2006:AV5028).

4.6.

Belanghebbende heeft in dit kader nog aangevoerd dat zij doordat het tijdvak op de naheffingsaanslag niet vermeld is, geen beroep heeft kunnen doen op interne compensatie. Deze grief faalt. Artikel 7, lid 1, van de Wet BPM 1992 bepaalt, dat indien de aanvraag voor de inschrijving van een personenauto in het kentekenregister geschiedt door een ander dan degene op wiens naam deze wordt gesteld, degene die de aanvraag doet gehouden is de belasting op aangifte te voldoen namens degene op wiens naam het motorrijtuig wordt gesteld. Naar het oordeel van het Hof brengt de faciliteit voor handelaren zoals opgenomen in artikel 8 van de Wet BPM 1992, waardoor op aanvraag de BPM per tijdvak voldaan kan worden, niet mee dat tussen BPM-heffingen, die materieel door verschillende personen verschuldigd zijn, maar formeel (op grond van artikel 7, lid 1, van de Wet BPM 1992) door dezelfde handelaar voldaan worden, interne compensatie plaats kan vinden (zie uitspraak Hof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2017, nrs. 15/00182 tot en met 15/00270, ECLI:NL:GHARL:2017:131).

4.7.

Gelet op het voorgaande is het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep gegrond. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag ten onrechte vernietigd, waardoor het Hof toekomt aan beantwoording van de vraag of de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende zijn opgelegd.

Vraag 2

4.8.

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente niet op een te hoog bedrag zijn vastgesteld, aangezien de auto’s ter zake waarvan hij de naheffingsaanslag heeft opgelegd, slechts normale gebruiksschade vertoonden, en de naheffingsaanslag opgelegd is conform de handelswaarden zoals deze volgen uit de door belanghebbende overgelegde koerslijsten. Belanghebbende heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld dat de auto’s dermate beschadigd waren, dat hiertoe een vermindering op de handelswaarde zoals deze volgt uit de koerslijst, toegepast moet worden.

4.9.

Het Hof heeft in diverse uitspraken reeds geoordeeld, dat noch uit de tekst van de Wet BPM 1992 en de parlementaire geschiedenis bij deze wet, noch uit de tekst van de Uitvoeringsregeling BPM 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling) en de toelichting bij de Uitvoeringsregeling, een verbod volgt om feitelijk getaxeerde schade in mindering te brengen op de handelswaarde zoals deze volgt uit een koerslijst (zie onder andere Hof ’s-Hertogenbosch 14 juli 2016, nr. 15/01177, ECLI:NL:GHSHE:2016:3001). Het andersluidende standpunt van de Inspecteur kan daarom niet worden gevolgd.

Auto met identificatienummer [nummer 1]

4.10.

Belanghebbende stelt zich met verwijzing naar het door de heer [H] opgestelde taxatierapport en bijbehorende schadecalculatie op het standpunt dat de auto met identificatienummer [nummer 1] meer dan normale gebruiksschade heeft, waaronder schade aan de velgen en steenslag op de voorruit. Deze beschadigingen noodzaken, zo stelt belanghebbende, tot het herstellen en spuiten van drie velgen, het vervangen van de voorruit door een nieuwe getinte voorruit met regensensor en het spuiten van diverse onderdelen van de carrosserie. Belanghebbende claimt in dit kader in totaal een aftrek van € 5.745. Vanwege de komst van een nieuw model claimt belanghebbende daarnaast een correctie van € 2.195.

4.11.

Het Hof overweegt ter zake als volgt. Met betrekking tot de door belanghebbende geclaimde schadeaftrek in verband met het plaatsen van een getinte voorruit met regensensor is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk gemaakt heeft dat de voorruit meer dan normale steenslag vertoont, laat staan dermate beschadigd is dat deze vervangen dient te worden. Voorts oordeelt het Hof op basis van het tot het dossier behorende beeldmateriaal van betreffende auto, dat de beschadigingen aan de velgen groter zijn dan de schade, die inherent is aan de leeftijd van de auto, en dus meer schade vertonen dan reeds verdisconteerd is in de koerslijst. Het Hof stelt het schadebedrag en de waardevermindering die hiermee samenhangt in goede justitie vast op € 1.000. Voor het overige is naar het oordeel van het Hof slechts sprake van schade die inherent is aan de leeftijd van de auto, welke schade reeds verdisconteerd is in de koerslijst. Het Hof staat voorts geen aftrek toe op de handelswaarde in verband met de opkomst van een nieuw model, aangezien deze marktomstandigheid ook van invloed zal zijn geweest op de transacties die ten grondslag liggen aan de handelswaarde zoals weergegeven in de toegepaste koerslijst en geacht wordt daarin te zijn verwerkt. Op grond van het voorgaande stelt het Hof de handelswaarde vast op € 16.243 -/- € 1.000 = € 15.243.

4.12.

De verschuldigde BPM ter zake van deze auto berekent het Hof, uitgaande van een historische nieuwprijs van € 40.288, een handelswaarde van € 15.243, een werkelijke afschrijving van € 25.045, een historisch bruto BPM van € 8.345, een werkelijk afschrijvingspercentage van 62,2 % (€ 25.045/€ 40.288) en een afschrijving op de historische bruto BPM van € 5.190,60, op afgerond € 3.154. Niet in geschil is dat hierop in verband met een gunstiger tussenliggende BPM-tarief € 201 in verminderd moet worden gebracht. Nu belanghebbende op aangifte voldaan heeft € 1.719, heeft belanghebbende ter zake van deze auto (€ 3.154 -/- € 201 -/- € 1.719) € 1.234 te weinig aan BPM voldaan.

Auto met identificatienummer [nummer 2]

4.13.

Belanghebbende stelt zich met verwijzing naar het door de heer [H] opgestelde taxatierapport en bijbehorende schadecalculatie op het standpunt dat de auto met identificatienummer [nummer 2] meer dan normale gebruiksschade heeft, waaronder schade aan de velgen, steenslag op de voorruit en schade aan de portieren. Deze beschadigingen noodzaken, zo stelt belanghebbende, tot het herstellen en spuiten van twee velgen, het vervangen van de voorruit door een nieuwe getinte voorruit met regensensor en het spuiten van diverse onderdelen van de carrosserie. Voorts stelt belanghebbende zich op het standpunt dat vanwege het ontbreken van Nederlandstalige handleidingen en Nederlandse software een aanvullende aftrek op de handelswaarde toegepast moet worden. Belanghebbende claimt in dit kader in totaal een aftrek van € 5.279.

4.14.

De Inspecteur heeft niet betwist dat de software van de auto een andere taal dan het Nederlands hanteert en dat Nederlandstalige handleidingen ontbreken. De Inspecteur heeft wel betwist dat er sprake is van meer schade dan normale gebruiksschade.

4.15.

Het Hof acht het aannemelijk dat het ontbreken van Nederlandstalige handleidingen en Nederlandse software een waardeverminderend effect heeft op de handelswaarde van deze auto. Het Hof stelt, overeenkomstig de schadecalculatie, het hiermee samenhangende schadebedrag vast op een bedrag van € 295 inclusief BTW. Ter zake van de door belanghebbende geclaimde schadeaftrek in verband met het plaatsen van een getinte voorruit met regensensor is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk gemaakt heeft dat de voorruit meer dan normale steenslag vertoont, laat staan dermate beschadigd is dat deze vervangen dient te worden. Voorts concludeert het Hof op basis van de tot het dossier behorende foto’s van betreffende auto dat ook voor het overige de auto, inclusief de velgen, slechts schade vertoont die inherent is aan de leeftijd van het voertuig, die reeds verdisconteerd is in de koerslijst. Op grond van het voorgaande stelt het Hof de handelswaarde vast op € 16.494 (koerswaarde van € 16.789 -/- € 295).

4.16.

De verschuldigde BPM ter zake van de auto met identificatienummer [nummer 2] berekent het Hof, uitgaande van een historische nieuwprijs van € 41.230, een handelswaarde van € 16.494, een werkelijke afschrijving van € 24.736, een historisch bruto BPM van € 8.485, een werkelijk afschrijvingspercentage van afgerond 60 % (€ 24.736/€ 41.230) en een afschrijving op de historische bruto BPM van € 5.091, op € 3.394. Nu belanghebbende een bedrag op aangifte voldaan heeft van € 2.368, heeft belanghebbende ter zake van deze auto een bedrag van € 1.026 te weinig aan BPM voldaan.

Auto met identificatienummer [nummer 3]

4.17.

Belanghebbende stelt zich met verwijzing naar het door de heer [H] opgestelde taxatierapport en bijbehorende schadecalculatie op het standpunt dat de auto met identificatienummer [nummer 3] meer dan normale gebruiksschade heeft, waaronder steenslag op de voorruit en overmatige lakschade. Deze beschadigingen noodzaken, zo stelt belanghebbende, tot het plaatsen van een nieuwe warmtewerende voorruit met regensensor en het spuiten van diverse carrosserie onderdelen. Voorts stelt belanghebbende zich op het standpunt dat vanwege het ontbreken van Nederlandstalige handleidingen, Nederlandse software en een alarm van klasse 3 een aanvullende aftrek op de handelswaarde toegepast moet worden. Belanghebbende claimt in dit kader in totaal een aftrek van € 6.214.

4.18.

De Inspecteur heeft niet betwist dat de software van de auto een andere taal dan het Nederlands hanteert en dat Nederlandstalige handleidingen evenals een alarm van klasse 3 ontbreken. De Inspecteur heeft wel betwist dat er sprake is van meer dan normale gebruiksschade.

4.19.

Het Hof stelt, overeenkomstig de schadecalculatie, het met het ontbreken van Nederlandse software en Nederlandstalige handleidingen samenhangende schadebedrag vast op € 295 inclusief BTW. Voorts acht het Hof aannemelijk dat een alarm van klasse 3 essentieel is voor auto’s van een prijsklasse, waartoe de onderhavige auto behoort en dat om deze reden een aftrek op de handelswaarde gerechtvaardigd is. Het Hof stelt, overeenkomstig voornoemde schadecalculatie, het hiermee samenhangende schadebedrag vast op € 1.571 inclusief BTW. Ter zake van de door belanghebbende geclaimde schadeaftrek in verband met het plaatsen van een warmtewerende voorruit met regensensor is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de voorruit meer dan normale steenslag vertoont, laat staan dermate beschadigd is dat deze vervangen dient te worden. Voorts concludeert het Hof op basis van de tot het dossier behorende foto’s van betreffende auto dat betreffende auto ook voor het overige slechts schade vertoont die inherent is aan de leeftijd van het voertuig, die reeds verdisconteerd is in de koerslijst. Op grond van het voorgaande stelt het Hof de handelswaarde vast op € 40.351 (koerswaarde van € 42.217 -/- € 295 -/- € 1.571).

4.20.

De verschuldigde BPM ter zake van de auto met identificatienummer [nummer 3] berekent het Hof, uitgaande van een historische nieuwprijs van € 79.850, een handelswaarde van € 40.351, een werkelijke afschrijving van € 39.499, een historisch bruto BPM van € 19.639, een werkelijk afschrijvingspercentage van afgerond 49,5 % (€ 39.499/€ 79.850) en een afschrijving op de historische bruto BPM van afgerond € 9.721,31, op afgerond € 9.917. Nu belanghebbende een bedrag op aangifte voldaan heeft van € 8.857, heeft belanghebbende ter zake van deze auto € 1.060 te weinig aan BPM voldaan.

Auto met identificatienummer [nummer 4]

4.21.

Belanghebbende stelt zich met verwijzing naar het door de heer [H] opgesteld taxatierapport en bijbehorende schadecalculatie op het standpunt dat de auto met identificatienummer [nummer 4] meer dan normale gebruiksschade heeft, waaronder steenslag op de voorruit en overmatige lakschade. Deze beschadigingen noodzaken, zo stelt belanghebbende, tot het plaatsen van een nieuwe warmtewerende voorruit met regensensor en het spuiten van diverse carrosserie onderdelen. Voorts stelt belanghebbende zich op het standpunt dat vanwege het ontbreken van Nederlandstalige onderhouds- en instructieboekjes, Nederlandse software en een alarm van klasse 3 een aanvullende aftrek op de handelswaarde toegepast moet worden. Belanghebbende claimt in dit kader in totaal een aftrek van € 6.427.

4.22.

De Inspecteur heeft niet betwist dat de software van de auto een andere taal dan het Nederlands hanteert en dat Nederlandstalige onderhouds- en instructieboekjes evenals een alarm van klasse 3 ontbreken. De Inspecteur heeft wel betwist dat er sprake is van meer dan normale gebruiksschade.

4.23.

Het Hof stelt, overeenkomstig de schadecalculatie, het met het ontbreken van Nederlandse software en Nederlandstalige onderhouds- en instructieboekjes samenhangende schadebedrag vast op € 295 inclusief BTW en het met het ontbreken van een alarm van klasse 3 samenhangende schadebedrag op € 1.571 inclusief BTW. Ter zake van de door belanghebbende geclaimde schadeaftrek in verband met het plaatsen van een warmtewerende voorruit met regensensor is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk gemaakt heeft dat de voorruit meer dan normale steenslag vertoont, laat staan dermate beschadigd is dat deze vervangen dient te worden. Het Hof concludeert op basis van de tot het dossier behorende foto’s van betreffende auto dat deze voor het overige ook slechts gebruiksschade vertoont die inherent is aan de leeftijd van het voertuig en die reeds verdisconteerd is in de koerslijst. Op grond van het voorgaande stelt het Hof de handelswaarde vast op € 19.536 (koerswaarde van € 21.402 -/- 295 -/- € 1.571).

4.24.

De verschuldigde BPM ter zake van de auto met identificatienummer [nummer 4] berekent het Hof, uitgaande van een historische nieuwprijs van € 40.977, een handelswaarde van € 19.536, een werkelijke afschrijving van € 21.441, een historisch bruto BPM van € 8.169, een werkelijk afschrijvingspercentage van afgerond 52,3% (€ 21.441/€ 40.977) en een afschrijving op de historische bruto BPM van € 4.272,39, op afgerond € 3.896. Nu belanghebbende een bedrag op aangifte voldaan heeft van € 2.982, heeft belanghebbende ter zake van deze auto € 914 te weinig aan BPM voldaan.

Auto met identificatienummer [nummer 5]

4.25.

Belanghebbende stelt zich met verwijzing naar het door de heer [K] opgesteld taxatierapport en bijbehorende schadecalculatie op het standpunt dat de auto met identificatienummer [nummer 5] meer dan normale gebruiksschade heeft en dat deze beschadigingen noodzaken tot het spuiten van diverse carrosserie onderdelen. Voorts stelt belanghebbende zich op het standpunt dat vanwege het ontbreken van Nederlandstalige onderhouds- en instructieboekjes, Nederlandse software, een alarm van klasse 3 en een defect in het “park distance control”-systeem een aanvullende aftrek op de handelswaarde toegepast moet worden. Belanghebbende claimt in dit kader in totaal een aftrek van € 8.546.

4.26.

De Inspecteur heeft niet betwist dat de software van de auto een andere taal dan het Nederlands hanteert en dat Nederlandstalige onderhouds- en instructieboekjes evenals een alarm van klasse 3 ontbreken. Voorts heeft de Inspecteur niet betwist dat er sprake is van een defect in het “park distance control”-systeem. De Inspecteur heeft wel betwist dat er sprake is van meer dan normale gebruiksschade.

4.27.

Het Hof stelt, overeenkomstig de schadecalculatie, het met het ontbreken van Nederlandse software en Nederlandstalige onderhouds- en instructieboekjes samenhangende schadebedrag vast op € 435 inclusief BTW en het met het ontbreken van een alarm van klasse 3 samenhangende schadebedrag vast op € 1.307 inclusief BTW. Gelet op het feit dat de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van de handelswaarde, zoals deze volgt uit de door belanghebbende overgelegde koerslijst en dit de handelswaarde inclusief opties betreft, is het Hof voorts van oordeel dat een manco in het “park distance control”-systeem een aanvullende aftrek op voornoemde handelswaarde rechtvaardigt. Het Hof stelt, overeenkomstig de schadecalculatie, de hiermee samenhangende schade vast op € 1.073 inclusief BTW. Het Hof concludeert op basis van de tot het dossier behorende foto’s van betreffende auto dat het echter aannemelijk is dat ter zake van deze auto voor het overige slechts sprake is van schade die inherent is aan de leeftijd van het voertuig en die reeds verdisconteerd is in de koerslijst. Op grond van het voorgaande stelt het Hof de handelswaarde vast op € 25.582 (koerswaarde van € 28.397 -/- € 435 -/- € 1.307 -/- € 1.073).

4.28.

De verschuldigde BPM ter zake van de auto met identificatienummer [nummer 5] berekent het Hof, uitgaande van een historische nieuwprijs van € 53.187, een handelswaarde van € 25.582, een werkelijke afschrijving van € 27.605, een historisch bruto BPM van € 13.165, een werkelijk afschrijvingspercentage van afgerond 51,9% (€ 27.605/€ 53.187) en een afschrijving op de historische bruto BPM van afgerond € 6.832,64, op afgerond € 6.332. Nu belanghebbende een bedrag op aangifte voldaan heeft van € 4.911, heeft belanghebbende ter zake van deze auto € 1.421 te weinig aan BPM voldaan.

Auto met identificatienummer [nummer 6]

4.29.

Belanghebbende stelt zich met verwijzing naar het door de heer [K] opgesteld taxatierapport en bijbehorende schadecalculatie op het standpunt dat de auto met identificatienummer [nummer 6] meer dan normale gebruiksschade heeft en dat deze beschadigingen noodzaken tot het spuiten van diverse carrosserie onderdelen. Voorts stelt belanghebbende zich op het standpunt dat vanwege het ontbreken van Nederlandstalige onderhouds- en instructieboekjes en Nederlandse software een aanvullende aftrek op de handelswaarde toegepast moet worden. Belanghebbende claimt in dit kader in totaal een aftrek van € 5.063.

4.30.

De Inspecteur heeft niet betwist dat de software van de auto een andere taal dan het Nederlands hanteert en dat Nederlandstalige onderhouds- en instructieboekjes ontbreken. De Inspecteur heeft wel betwist dat er sprake is van overmatige gebruiksschade.

4.31.

Het Hof stelt, overeenkomstig de schadecalculatie, het met het ontbreken van Nederlandse software en Nederlandstalige onderhouds- en instructieboekjes samenhangende schadebedrag vast op een bedrag van € 298 inclusief BTW. Het Hof concludeert voorts op basis van de tot het dossier behorende foto’s van de auto met identificatienummer [nummer 6] dat dit voertuig slechts schade vertoont die inherent is aan de leeftijd en die reeds verdisconteerd is in de koerslijst. Op grond van het voorgaande stelt het Hof de handelswaarde van betreffende auto vast op een bedrag van € 47.441 (koerswaarde van € 47.739 -/- € 298).

4.32.

De verschuldigde BPM ter zake van de auto met identificatienummer [nummer 6] berekent het Hof, uitgaande van een historische nieuwprijs van € 77.571, een handelswaarde van € 47.441, een werkelijke afschrijving van € 30.130, een historisch bruto BPM van € 19.680, een werkelijk afschrijvingspercentage van afgerond 38,9 % (€ 30.130/€ 77.571) en een afschrijving op de historische bruto BPM van € 7.655,52, op afgerond € 12.024. Nu belanghebbende een bedrag op aangifte voldaan heeft van € 10.824, heeft belanghebbende ter zake van deze auto een bedrag ter hoogte van € 1.200 te weinig aan BPM voldaan.

4.33.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat belanghebbende € 6.855 te weinig aan BPM voldaan heeft. Dit bedrag is als volgt samengesteld:

Auto met identificatienummer

BPM te weinig voldaan

[nummer 1]

€ 1.234

[nummer 2]

€ 1.026

[nummer 3]

€ 1.060

[nummer 4]

€ 914

[nummer 5]

€ 1.421

[nummer 6]

€ 1.200

Totaal

€ 6.855

Aangezien tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende recht heeft op een extra leeftijdskorting voor vergunninghouders van € 912, komt het Hof tot de conclusie dat belanghebbende op aangifte een bedrag van € 5.943 te weinig aan BPM voldaan heeft. Het Hof zal hierna ingaan op de vraag of interne compensatie een vermindering van de naheffingsaanslag in de weg staat.

4.34.

De Inspecteur heeft aangevoerd dat hij een geslaagd beroep kan doen op interne compensatie, omdat hij bij het opleggen van de naheffingsaanslag een minimum-positie heeft ingenomen. De Inspecteur wijst er in dit kader op dat hij is uitgegaan van de handelswaarden zoals deze volgen uit de door belanghebbende overgelegde koerslijsten, maar dat hij er ook voor had kunnen kiezen om de naheffingsaanslagen te baseren op de handelswaarden zoals deze volgen uit de hertaxatie. Voorts heeft de Inspecteur aangevoerd dat de naheffingsaanslag hoger zou zijn indien deze gebaseerd zou zijn op koerslijsten, waaraan de juiste netto-cataloguswaarden en historische nieuwprijzen ten grondslag liggen.

4.35.

Het Hof is, zoals hiervoor is overwogen, van oordeel dat belanghebbende in haar aangifte aansluiting mocht zoeken bij de handelswaarden zoals deze volgen uit een koerslijst. Naar het oordeel van het Hof heeft hetzelfde te geven voor de netto-cataloguswaarden en historische nieuwprijzen.

4.36.

Voor het geval de Inspecteur met zijn grief de mogelijkheid tot het gebruik van koerslijsten van XRAY respectievelijk Eurotaxglass’s betwist, oordeelt het Hof als volgt. De genoemde koerslijsten zijn bruikbaar, aangezien dit algemeen aanvaarde, ook door de Belastingdienst geaccordeerde, koerslijsten zijn (Hof ’s-Hertogenbosch 2 juli 2015, nr. 14/00750, ECLI:NL:GHSHE:2015:2520). Voorts staat de wetssystematiek toe dat belanghebbende gebruik mag maken van de voor haar meest gunstige koerslijst. Op grond van voornoemde gronden faalt reeds het beroep van de Inspecteur op interne compensatie. Ten overvloede voegt het Hof hier aan toe dat de in de hertaxatierapporten van de Inspecteur opgenomen handelswaarden gebaseerd zijn op de vraagprijzen van referentievoertuigen. Vraagprijzen geven echter zonder een nadere onderbouwing, die in de hertaxatierapporten ontbreekt, onvoldoende inzicht in de handelswaarden van deze referentievoertuigen.

Slotsom

4.37.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, de proceskosten en de immateriële schadevergoeding, vernietigd te worden zoals hierna vermeld.

Ten aanzien van het griffierecht

4.38.

Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Inspecteur inzake het hoger beroep geen plaats.

Ten aanzien van de proceskosten

4.39.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof

-

verklaart het hoger beroep gegrond;

-

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, de proceskosten en de immateriële schadevergoeding;

-

verklaart het tegen de uitspraken van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

-

vernietigt de uitspraken van de Inspecteur; en

-

vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 5.943, met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente.

Aldus gedaan op 4 mei 2017 door J. Swinkels, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Verder lezen