ECLI:NL:RBNHO:2016:9776 Rechtbank Noord-Holland , 25-11-2016 / 15/871495-14

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/871495-14 (P)

Uitspraakdatum: 25 november 2016

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10 en 11 november 2016 in de zaak tegen:


[verdachte]

,

geboren op [geboortedatum] te [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. Sarian en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij in of omstreeks de periode van 25 juli 2014 tot en met 26 juli 2014 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan [adres] , heeft weggenomen (onder andere)

- een of meer horloge(s), waaronder één dameshorloge van het merk en/of type Rolex Oyster en/of één herenhorloge van het merk en/of type Cartier Roadster, en/of

- een of meer ring(en), waaronder één meerkleurige gouden ring (afgezet met witte diamanten) van het merk Cartier, en/of

- een of meer oorbel(len), waaronder één (paar) oorbel(len) waarbij de oorbel (telkens) bestaat uit twee of drie door elkaar gedraaide ringen van gekleurd goud en/of bezet is met een steentje, en/of

- een of meer kledingstuk(ken) en/of kledingaccessoire(s), waaronder één sjaal, kleur bruin, van het merk Louis Vuitton, en/of

- een of meer computer(s), waaronder één tablet van het merk Samsung, en/of

- een zonnebril, kleur bruin, van het merk Ray Ban, en/of

- een autosleutel van het merk Saab, en/of

- een pet met klep, kleur zwart, met de tekst "New York",

in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) het/de weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking;

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 25 juli 2014 tot en met 14 augustus 2014 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (onder andere)

- een of meer horloge(s), waaronder één dameshorloge van het merk en/of type Rolex Oyster en/of één herenhorloge van het merk en/of type Cartier Roadster, en/of

- een of meer ring(en), waaronder één meerkleurige gouden ring (afgezet met witte diamanten) van het merk Cartier, en/of

- een of meer oorbel(len), waaronder één (paar) oorbel(len) waarbij de oorbel (telkens) bestaat uit twee of drie door elkaar gedraaide ringen van gekleurd goud en/of bezet is met een steentje, en/of

- een of meer kledingstuk(ken) en/of kledingaccessoire(s), waaronder één sjaal, kleur bruin, van het merk Louis Vuitton, en/of

- een of meer computer(s), waaronder één tablet van het merk Samsung, en/of

- een zonnebril, kleur bruin, van het merk Ray Ban, en/of

- een autosleutel van het merk Saab, en/of

- een pet met klep, kleur zwart, met de tekst "New York",

op één of meer moment(en) in voormelde periode heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van (telkens een of meer van) voormelde goederen (telkens) wist(en) dan wel redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde diefstal in vereniging.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet valt uit te sluiten dat de in de tenlastelegging vermelde goederen reeds in de nacht van 24 op 25 juli 2014, buiten de tenlastegelegde periode, zijn ontvreemd. Immers, in die nacht vond een eerste feest plaats in huize [benadeelde partij] en de diefstal is pas de ochtend na het tweede feest, op 26 juli 2014, ontdekt. Voorts is uit de voorhanden dossierstukken geenszins komen vast te staan dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij het wegnemen van de goederen.

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde heling heeft de raadsman, onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2015,1 het verweer gevoerd dat het onderzoek aan de smartphone van verdachte onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat dergelijk onderzoek, zonder tussenkomst van een rechter, aan de telefoon van verdachte weliswaar is toegestaan op grond van de huidige Nederlandse wetgeving, doch dat deze regelgeving inmiddels is achterhaald en niet is toegesneden op de feitelijke situatie waarop een mobiele telefoon vandaag de dag in de maatschappij fungeert, te weten als bron van opslag van het hele privéleven van de gebruiker ervan. De Nederlandse regelgeving schiet daarmee aldus tekort in het bieden van een wettelijke grondslag voor een dergelijk onderzoek nu zulks geschiedt zonder enige vorm van voorafgaande beoordeling van subsidiariteit en/of proportionaliteit van de bevoegdheid door een rechter. De door de politie verrichte handelingen met betrekking tot de telefoon van verdachte vormen mitsdien een inbreuk op zijn in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Daarmee is sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het door dit vormverzuim verkregen bewijsmateriaal, te weten de WhatsAppgesprekken, mag niet bijdragen aan het bewijs van de ten laste gelegde heling. Bij die stand van zaken resteert onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring te komen en dient verdachte eveneens te worden vrijgesproken van de hem subsidiair verweten gedraging, aldus de raadsman.

De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat uit de stukken in het dossier, en dan met name de inhoud van de gevoerde WhatsAppgesprekken, niet kan worden afgeleid dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van heling en hij ook om die reden dient te worden vrijgesproken van de hem subsidiair verweten gedraging.

3.3.

Beoordeling van het bewijsmiddelverweer

Vast staat dat de mobiele telefoon van verdachte op de voet van artikel 94 Sv is onderworpen aan onderzoek en dat de daaruit veiliggestelde WhatsAppgesprekken zijn geprint en toegevoegd aan het strafdossier. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 94 Sv alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, vatbaar zijn voor inbeslagname. In het belang van de waarheidsvinding is het toegestaan onderzoek te verrichten aan en in het in beslag genomen voorwerp teneinde gegevens voor strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te verkrijgen. In computers opgeslagen gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd.2 Er is geen reden om ten aanzien van gegevens opgeslagen in een mobiele telefoon anders te oordelen. De rechtbank is, anders dan de verdediging, in weerwil van haar beroep op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en in navolging van het gerechtshof Amsterdam,3 van oordeel dat artikel 94 Sv ter dege een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag vormt voor het onderzoek aan en in de mobiele telefoon van verdachte. Er is aldus geen sprake van een vormverzuim, zodat de WhatsAppgesprekken kunnen dienen tot het bewijs. De rechtbank verwerpt dan ook het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer.

3.4.

Beoordeling van de tenlastelegging
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat uit de voorhanden processtukken noch uit het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend is komen vast te staan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de wegneming van (een van) de in de tenlastelegging genoemde goederen. Evenmin is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking met een of meer van zijn medeverdachten gericht op de diefstal, zodat verdachte van het primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken. Uit het feit dat verdachte bij beide feesten aanwezig is geweest en naderhand met zijn medeverdachten communiceert over (het terugbrengen van) de bij deze gelegenheid gestolen goederen van de [benadeelde partij] , kan geen nauwe en bewuste samenwerking met die medeverdachten (of anderen) ten aanzien van die diefstal in de vorm van een gezamenlijke uitvoering of een gezamenlijk plan worden geconstrueerd.

Evenmin is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan heling. Vast staat weliswaar dat verdachte op 29 juli 2014 opdracht heeft gekregen zich naar de woning van [medeverdachte] te begeven teneinde (gestolen) goederen op te halen, alsmede dat hij daar ook is geweest, maar niet is komen vast te staan dat verdachte op enig moment ook daadwerkelijk die goederen voorhanden heeft gehad (zie in het bijzonder de WhatsAppgesprekken op dossierpagina’s 560-563 en 580-582). De rechtbank zal verdachte mitsdien eveneens van het subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.

4 Vordering benadeelde partij

[benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 42.720,69 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit:

-

immateriële schade ad € 1.000.

-

materiële schade ad € 37.747,69

-

proceskosten ad € 3.973.

Nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, kan de benadeelde partij niet in zijn vordering worden ontvangen. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in zijn vordering.

5 Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

 Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.F. van Hoorn, voorzitter,

mr. M.S. Lamboo en mr. H.A. Stalenhoef, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. D. Ince,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 november 2016.

Voetnoten

1
ECLI:NL:GHARL:2015:2954.
2
ECLI:NL:HR:1994:AD2076.
3
ECLI:NL:GHAMS:2015:5007.
Verder lezen