Naar de inhoud

Commentaar op Burgerlijk Wetboek Boek 7 art. 631 (Arbeidsrechtartikelsgewijs)


Commentaar is bijgewerkt tot 20-09-2017 door mr. E.K.W. van Kampen

Artikel 631 Tekst van de hele regeling

1.

Een beding waarbij de werkgever het recht krijgt enig bedrag van het loon op de betaaldag in te houden, is nietig, onverminderd de bevoegdheid van de werknemer om de werkgever een schriftelijke volmacht te verlenen om uit het uit te betalen loon betalingen in zijn naam te verrichten. De bevoegdheid van de werknemer, bedoeld in de eerste zin, geldt niet voor het deel van het loon tot het bedrag, bedoeld in artikel 7 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met uitzondering van betalingsverplichtingen als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Deze volmacht is te allen tijde herroepelijk.

2.

Bedingen waarbij de werknemer zich jegens de werkgever verbindt het ontvangen loon of zijn overige inkomsten of een gedeelte daarvan op bepaalde wijze te besteden, en bedingen waarbij de werknemer zich verbindt zijn benodigdheden op een bepaalde plaats of bij een bepaalde persoon aan te schaffen, zijn nietig.

3.

De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op het beding waarbij de werknemer zich verbindt:

  1. deel te nemen in een pensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet en ten aanzien waarvan aan de voorschriften van die wet wordt voldaan;

  2. bij te dragen tot de premiebetaling voor een verzekering overeenkomstig de voorschriften dienaangaande door de Pensioenwet gesteld;

  3. deel te nemen in enig ander fonds dan in onderdeel a bedoeld, mits dat fonds voldoet aan de voorwaarden, bij algemene maatregel van bestuur gesteld;

  4. deel te nemen aan een regeling tot sparen te zijnen behoeve, anders dan in de onderdelen a tot en met c bedoeld, mits die regeling voldoet aan de voorwaarden, bij algemene maatregel van bestuur gesteld.

Onder enig ander fonds als bedoeld in onderdeel c, wordt niet verstaan een fonds dat tot doel heeft aan de werkgever of aan de werknemer een uitkering te doen die verband houdt met het recht van de werknemer op doorbetaling van loon tijdens ziekte, zwangerschap of bevalling als bedoeld in artikel 629 lid 1, of met de betaling van een uitkering als bedoeld in artikel 84 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel als bedoeld in artikel 75a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

4.

Voor de nakoming van een beding als bedoeld in lid 3 mag de werkgever de daartoe nodige bedragen op het loon van de werknemer inhouden; hij is alsdan verplicht deze bedragen overeenkomstig het beding ten behoeve van de werknemer te voldoen.

5.

Op de deelneming door een minderjarige aan een regeling als bedoeld in lid 3 is artikel 612 van overeenkomstige toepassing.

6.

Indien de werknemer ingevolge een nietig beding als bedoeld in lid 2 een overeenkomst met de werkgever of een derde heeft aangegaan, heeft hij het recht hetgeen hij uit dien hoofde heeft voldaan van de werkgever te vorderen. Indien hij de overeenkomst met de werkgever heeft aangegaan, heeft hij bovendien de bevoegdheid de overeenkomst te vernietigen.

7.

De rechter kan bij toewijzing van een vordering van de werknemer op grond van lid 6 de verplichting tot betaling van de werkgever beperken tot zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden billijk voorkomt, maar uiterlijk tot de som waarop hij de door de werknemer geleden schade vaststelt.

8.

Een rechtsvordering van de werknemer op grond van dit artikel verjaart door verloop van zes maanden na de dag van het ontstaan van het vorderingsrecht.

A: Inleiding

Wat betreft wetsgeschiedenis en jurisprudentie tot heden bijgewerkt.

B: Wetstechnische informatie

Voor de wetstechnische informatie verwijzen wij u naar de wetstechnische informatie van de regeling.

C: Kernproblematiek

C.1: Verbod op looninhoudingen

Art. 7:631 lid 1 BW verklaart ieder beding waarbij de werkgever het recht krijgt een bedrag op het loon van de werknemer in te houden nietig. De werknemer mag de werkgever wel schriftelijk een volmacht verlenen om betalingen in zijn naam te verrichten, tenzij deze volmacht betrekking heeft op inhoudingen op het minimumloon (zie nader over deze beperking onderdeel C.6). Deze volmacht is te allen tijde herroepelijk.

C.2: Verbod op gedwongen winkelnering

Art. 7:631 lid 2 BW verklaart bedingen waarbij de werknemer zich tegenover de werkgever verplicht zijn loon of overige inkomsten op een bepaalde wijze te besteden nietig. Er wordt in dit verband ook wel gesproken over het verbod op gedwongen winkelnering, hoewel de huidige wettekst inmiddels meer omvat dan alleen een verbod op gedwongen winkelnering.1 De werknemer mag zijn loon of overige inkomsten naar eigen inzicht besteden. De werknemer kan wel verplicht worden een bepaald product te gebruiken bij de uitvoering van zijn werkzaamheden, zoals bepaalde kleding. Een beding waarbij de werknemer verplicht is de fooien af te dragen aan de werkgever, die deze zelf behoudt, is in strijd met art. 7:631 lid 2 BW en daarom nietig.2 Dit geldt ook voor een beding dat de werknemer verplicht om de door hem ontvangen fooien aan te wenden tot dekking van de loonverplichting van de werkgever.3 Wel toegestaan is een regeling waarbij de werknemer verplicht is studiekosten terug te betalen indien hij tijdens of kort na afloop van de studie bij zijn werkgever vertrekt.4

C.3: Uitzonderingen

Op de hoofdregels van de leden 1 en 2 worden in de leden 3 en 4 uitzonderingen gemaakt. Deze uitzonderingen hebben betrekking op (a) deelname in een pensioenfonds als bedoeld in art. 1 van de Pensioenwet, (b) bijdragen aan een pensioenverzekering, (c) deelname in een ander fonds dan een pensioenfonds als bedoeld onder a en (d) deelname aan een spaarregeling anders dan onder a tot en met c bedoeld. Voor de fondsen en spaarregelingen van onderdelen c en d geldt het voorschrift dat deze fondsen en regelingen moeten voldoen aan de voorwaarden gesteld bij algemene maatregel van bestuur. Het betreft hier het Besluit fondsen en spaarregelingen.5 De op grond van deze uitzonderingen verschuldigde bedragen mag de werkgever op het loon van de werknemer inhouden. De werkgever is dan verplicht deze bedragen, overeenkomstig het betreffende beding, ten behoeve van de werknemer te voldoen. Art. 7:631 lid 5 BW verklaart artikel 7:612 BW van toepassing op de deelname van een minderjarige aan een regeling als bedoeld in art. 7:631 lid 3 BW.

C.4: Volgovereenkomsten

Indien de werknemer ingevolge een nietig beding als bedoeld in art. 7:631 lid 2 BW een volgovereenkomst met de werkgever of een derde is aangegaan, dan kan de werknemer op grond van art. 7:631 lid 6 BW datgene terugvorderen wat hij uit dien hoofde aan de werkgever of de derde heeft betaald. Indien de volgovereenkomst met de werkgever is gesloten, dan kan deze door de werknemer worden vernietigd. Dit kan niet ten aanzien van de derde. Deze derde geniet volgens de wetgever bescherming, omdat hij buiten de totstandkoming van het beding in de arbeidsovereenkomst staat.6 De rechter is op grond van art. 7:631 lid 7 BW bevoegd de vordering van de werknemer te matigen als dit hem met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt. De matiging heeft als ondergrens de som waarop de werknemer de geleden schade vaststelt. Aan deze bepaling komt in de praktijk weinig betekenis toe, omdat de rechter de schade op nihil kan vaststellen.

C.5: Verjaring

Een rechtsvordering van de werknemer op basis van art. 7:631 BW verjaart door verloop van zes maanden na de dag van het ontstaan van het vorderingsrecht (art. 7:631 lid 8 BW). Het vorderingsrecht ontstaat zodra het loon is ingehouden of een betaling op grond van het betreffende nietige beding is gedaan.

C.6: Wet aanpak schijnconstructies

Met de Wet aanpak schijnconstructies (‘WAS’) wordt onder meer beoogd te regelen dat inhoudingen op het minimumloon door de werkgever niet langer zijn toegestaan. In dat kader voorziet de WAS onder meer in de invoering van een nieuw artikel 13 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (‘WML’), welk artikel per 1 januari 2017 in werking is getreden. Per die datum bepaalt artikel 13 lid 1 WML dat het minimumloon niet vatbaar is voor inhouding of verrekening door de werkgever op grond van artikel 7:631 BW onderscheidenlijk artikel 7:632 BW. In het verlengde daarvan is per diezelfde datum in artikel 7:631 lid 1 BW na de eerste zin de volgende zin toegevoegd: ‘De bevoegdheid van de werknemer, bedoeld in de eerste zin, geldt niet voor het deel van het loon tot het bedrag, bedoeld in artikel 7 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met uitzondering van betalingsverplichtingen als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.’

Inhoudingen boven het minimumloon blijven na 1 januari 2017 wel mogelijk. De ondergrens van het minimumloon zal niet gelden voor de in artikel 7:631 lid 3 BW genoemde bedingen (vgl. artikel 13 lid 2 WML, zoals deze bepaling per 1 januari 2017 luidt). Inhoudingen op grond van die bedingen blijven toegestaan. Daarnaast heeft de regering op grond van artikel 13 lid 2 WML de bevoegdheid gekregen om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur betalingsverplichtingen van de werknemer aan te wijzen ten aanzien waarvan hij bevoegd is om schriftelijke volmacht te verlenen aan de werkgever om uit het uit te betalen minimumloon betalingen in zijn naam te verrichten. Ten aanzien van deze aangewezen betalingsverplichtingen dient artikel 7:631 BW in acht genomen te worden. Dit betekent onder meer dat deze volmacht te allen tijde herroepelijk is. Inhoudingen op of verrekeningen met de wettelijke minimumvakantiebijslag blijven ook na 1 januari 2017 mogelijk.

1
Vgl. onder het oude recht ook HR 29 juni 1956, NJ 1956/451 (Westlandse/Van der Zwan), m.nt. L.E.H. Rutten.
2
HR 8 oktober 1993, NJ 1994/188, «JAR» 1993/245 (Olympiada/Davrados).
3
Rb. Rotterdam 18 februari 1999, «JAR» 1999/72; bevestigd in HR 2 maart 2001, «JAR» 2001/58 (Hotel New York/Horecabond FNV).
4
HR 10 juni 1983, NJ 1983/796 (Muller/Van Opzeeland I) en HR 5 juni 1987, NJ 1987/795 (Muller/Van Opzeeland II).
5
Stb. 1973, 33.
6
Kamerstukken II 1993/94, 23 438, nr. 3, p. 28.

D: Jurisprudentie uitgebreid

Bij dit artikel is nog geen belangrijke jurisprudentie aanwezig.

E: Jurisprudentie nieuw

Meest recente jurisprudentie over Burgerlijk Wetboek Boek 7 artikel 631.

F: Literatuurverwijzing

Bij dit artikel is nog geen belangrijke literatuur aanwezig.