Naar de inhoud

Terrorismevervolgingen: een bloemenketting met doornen

Het Actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme kent een grote rol toe aan het strafrecht om het uitreizen naar, het vechten in, en het terugkeren uit Syrië en Irak te voorkomen en aan te pakken. Daarbij wordt, in de woorden van de officier van justitie in de Context II-zaak, het strafrecht niet meer als ‘ultimum remedium’, maar als ‘optimum remedium’ ingezet.1 We kunnen grofweg drie groepen zaken of verdachten onderscheiden: de ronselzaken, de Syriëgangers en de Syriëterugkeerders. Deze drie groepen hebben gemeenschappelijk dat, om verschillende redenen, de feiten waarvoor wordt vervolgd vaak niet zelf terroristische geweldsdelicten betreffen, maar in de fases daaraan voorafgaand zitten.

Schema 1
Schema 1. Tussen plan en terroristische brandstichting: momenten op schaal vervolging
Schema 2
Schema 2. Tussen plan en terroristische brandstichting: vrijwillige terugtred

De eerste groep ziet op mensen die, al dan niet via het internet, anderen zouden hebben geronseld of opgeruid om naar Syrië te gaan, waarbij die anderen dan terroristische geweldsmisdrijven zouden moeten plegen. Bij de Syriëterugkeerders, de derde groep, blijkt het zo lastig bewijs te leveren van daadwerkelijk gepleegde geweldsmisdrijven, dat ook hier teruggegrepen wordt op vervolging voor strafbaarstellingen in het zogenoemde voorveld, zoals training voor terrorisme, deelneming aan een terroristische organisatie of voorbereiding van moord met een terroristisch oogmerk.2

In deze bijdrage richten wij ons echter op de tweede groep, de Syriëgangers, in de praktijk de meest omvangrijke. Deze verdachten worden aangehouden op een moment dat het Openbaar Ministerie ervan uitgaat dat ze van plan zijn naar Syrië te gaan om zich daar bij IS of de gewapende strijd aan te sluiten, maar…